Leg een vinger op de plek waar het zeer doet. Daarmee bent u al een eind op weg. Hieronder staan de vijf plekken die de handtherapeut het vaakst ziet.
Pijn aan de duimzijde: De Quervain
Een scherpe pijn net boven de duim, bij het optillen van een kind, het uitwringen van een doek of het vasthouden van een telefoon. Twee duimpezen lopen daar door één nauwe koker en raken geïrriteerd. Dat heet de ziekte van De Quervain. Een spalk die pols en duim samen rust geeft, vaak vier tot zes weken, is de gangbare eerste stap.
Pijn aan de pinkzijde van de pols
Een deurknop omdraaien, uit bad opdrukken, een backhand slaan: de pijn zit bij het knobbeltje van de ellepijp. Daar ligt een schijfje kraakbeen dat stoten opvangt, en er loopt een pees die bij draaien veel te verduren krijgt. Een val op de hand of veel draaiwerk is vaak de aanleiding. U krijgt eerst een brace of spalk en traint daarna gericht.
Handpalmzijde met tintelingen: carpaal tunnel
Doet de binnenkant van de pols pijn en tintelen duim tot en met middelvinger, vooral in de nacht? Dan zit de middelste handzenuw waarschijnlijk klem in de tunnel onder de polsplooi. Lees verder bij carpaal tunnel syndroom.
Bobbel op de rugzijde: ganglion
Een ronde, verende zwelling op de handrug, soms zo groot als een knikker. Een ganglion is een uitstulping van het gewricht, gevuld met stroperig vocht. Het is goedaardig en verdwijnt geregeld vanzelf. Doet het pijn bij steunen, dan helpt het vaak om de pols tijdelijk te ontlasten en daarna sterker te maken. Weghalen is werk voor de arts.
Na een val: polsbreuk of bandletsel
Wie valt, steekt een hand uit. Het spaakbeen breekt dan het vaakst, vlak boven de pols. Na het gips begint het werk van de handtherapeut: zwelling weg, beweging terug, kracht erbij. Hoe dat gaat, staat bij polsbreuk. Blijft de pols na een val zonder breuk maandenlang pijnlijk, dan kan een band beschadigd zijn.



