Een deur, een bal, een val van de fiets: een hand breekt sneller dan u denkt. De hand telt negentien botten, vijf in de middenhand en veertien in de vingers en de duim. In de pols komen daar acht handwortelbeentjes bij.
Een botbreuk in de hand kan een haarscheurtje zijn, een breuk die netjes blijft staan of een breuk waarbij de delen verschoven zijn. Soms is ook een pees of de huid geraakt. Dat verschil bepaalt de behandeling.
Gebroken middenhandsbeentje
De middenhandsbeentjes lopen van de pols naar de knokkels. Het vaakst breekt het vijfde, aan de kant van de pink, na een klap met de vuist of een val. De knokkel lijkt dan weggezakt en de handrug wordt dik.
Gebroken vinger
Een vinger heeft drie kootjes. Een breuk dicht bij een gewricht maakt de vinger snel stijf. Staat de vinger scheef of schuift hij bij het buigen over de vinger ernaast, dan zet de arts hem eerst recht.
Gebroken duim
De duim heeft twee kootjes en een eigen middenhandsbeentje. De breuk zit vaak onderaan, bij het gewricht waarmee de duim aan de pols vastzit. Dat gewricht maakt knijpen en pakken mogelijk. Een breuk daar wordt daarom nauwkeurig gevolgd en soms vastgezet.
Gebroken scheepsbeentje (scaphoĆÆd)
Het scheepsbeentje is een handwortelbeentje aan de duimkant van de pols. Het breekt bij een val op de uitgestrekte hand en is op de eerste foto niet altijd te zien. Het bot heeft een matige doorbloeding en geneest daardoor traag.
