U viel, stak uw hand uit en de pols ving de klap op. Zo ontstaan de meeste polsbreuken. Een breuk, in vaktaal een fractuur, betekent dat het bot gescheurd of gebroken is.
De pols bestaat uit acht kleine handwortelbeentjes en de uiteinden van twee onderarmbotten: het spaakbeen en de ellepijp. Bijna altijd breekt het spaakbeen, het bot aan de duimkant, vlak boven het gewricht. Artsen noemen dat een distale radiusfractuur.
Drie soorten polsbreuk
Het ziekenhuis deelt de breuk grofweg in drie soorten in. Bij de eerste is het bot gebroken, maar staat het nog goed. Bij de tweede is een stuk bot verschoven. Bij de derde zijn er meerdere breuken of staat het bot te ver uit zijn stand.
De eerste twee genezen meestal in het gips, zonder operatie. Bij de derde volgt vaak een operatie. Die keuze maakt de arts in het ziekenhuis. De handtherapeut sluit daarop aan en begeleidt u tijdens en na het gips.
